minder roem

“Iemand vroeg Leonard Bernstein welk instrument in het orkest het moeilijkst is om te bespelen.
De grootmeester dacht even na en antwoordde: ‘tweede viool’.”
Rory Noland

 

De kinderen waren op school en Carolien, mijn vrouw, was bezig in de keuken. Op gehoorsafstand van haar repeteerde ik op piano de liedjes, die op het programma stonden voor de kerkdienst van de aanstaande zondag. Eenmaal een beetje warm gespeeld en gezongen zette ik een hoog lied in. Het toeval wilde dat ik dat hoge lied redelijk langs mijn stembanden kreeg en dat zelfs het hoogste gedeelte bereikt werd. Plots werd ik me te veel bewust van mezelf en stopte ik abrupt met spelen. Ik draaide me om naar Carolien, trok een wenkbrauw op, en zei triomfantelijk: “Hoge A.” Ze keek me doordringend aan en zei droogjes: “Ga je dat zondag ook doen? De muziek stoppen tijdens het lied en dan ineens: ‘hoge A’?”
Gelukkig kon ik er om lachen. Ik zag me al pianospelen en zingen in een volle kerk, en met deze opschepperige opmerking de aanbidding onderbreken. Waarna het eenvoudige gepeupel in een daverend applaus zou uitbreken, zich ten volle beseffend welke muzikale prestatie ik voor hun oren had geleverd. Ze zouden de eer aan God geven voor mijn zangtalent, uiteraard nadat die eer eerst even langs mij was gegaan…

Die hoge A ging niet zo goed tijdens de dienst. En het viel niemand op. Niemand was met mij bezig en dat spreekt ook vanzelf in een dienst ter ere van God alleen. Toch is er iets in mij dat zich wil laten gelden, zelfs bij gelegenheden die zich daar beslist niet voor lenen. Een ambitie om niet alleen deel te zijn van iets belangrijks, maar om zelf dat belangrijke te zijn. Dat verlangen naar significantie is zo sterk dat ik me afvraag of ik het tegen kan houden, wanneer de gelegenheid tot roem zich aandient. Op dit moment word ik beschermd door mijn gebrek aan talent (en een vrouw die me met beide benen op de grond houdt) maar wat als de schijnwerpers zich naar mij verplaatsen?

Ik ben niet de enige die in is voor applaus. Het schijnt dat 61% van de mensen best beroemd zou willen worden. Eerlijk gezegd denk ik dat de overige 39% er niet goed over nagedacht heeft, staat te liegen, of al beroemd is. Wat dat laatste betreft: juist beroemdheden zijn minder enthousiast over beroemd zijn, gek genoeg.

Jennifer Lawrence, bekend van de film the Hunger Games, zei over haar roem dat ze er niet blij mee was. “Zo eenvoudig is het. Ik ben een gewoon meisje en heb nog niet genoeg tijd gehad om er aan te wennen. Ik ga hier geen vrede mee krijgen.” Gaat het na verloop van tijd beter? Veteranen als George Clooney, Brad Pitt, Jennifer Aniston en Johnny Depp zeggen van niet. Met name het verlies van vrijheid valt hen zwaar. “Overal is een strategie voor nodig,” zegt Depp. “Om het hotel in te komen, om het hotel uit te komen, om het restaurant in te komen en om het restaurant uit te komen.” James Bond-acteur Daniël Craig wordt zelfs ín het restaurant lastig gevallen: “Mensen nemen foto’s van mij met hun telefoon terwijl ik aan het dineren ben.” George Clooney probeert het niet eens meer. Zijn laatste wandeling door Central Park was vijftien jaar geleden. Wat er zo leuk is aan beroemd zijn? Zij weten het niet.

Verder lezen? Dit is hoofdstuk 9 uit het boek “Maak me minder”

 

“De meeste mensen willen graag beroemd worden, maar wie daarin slaagt ontdekt alleen maar nadelen: het verstoort je sociale leven, je raakt je privacy kwijt en je karakter verslechtert.
Mits je niet te ver heen bent, kun je voorkomen dat je leven wordt gecorrumpeerd wordt door roem. Door het ondergaan van schaamte bijvoorbeeld, of door de spotlights zoveel mogelijk te ontwijken. Dat betekent niet dat je geen invloedrijke positie kunt uitoefenen, maar dat je juist op die positie heel bewust omgaat met je bekendheid.”

Leven in Gods' schaduw

Hoofdstuk 9 uit het boek "Maak me minder"