minder heersen

“Nederigheid is als ondergoed.
Essentieel, maar onfatsoenlijk als het getoond wordt.”
Helen Nielsen

 

In een groot woud, niet al te ver hier vandaan, woonden in een warm en gezellig holletje meneer en mevrouw Konijn. Van mensen hadden ze niets te vrezen; die kwamen nooit in dit laatste stukje ongerepte natuur. Met de andere dieren leefden ze vredig samen. Ieder dier kon goed met de ander opschieten en men groette elkaar bij het tegenkomen vriendelijk.
Er was één dier dat niet begroet werd. Dat was meneer Vos. Zag je meneer Vos aankomen, dan vluchtte je weg en hield je pas op met rennen als je zeker wist dat hij niet achter je aan kwam. Of je stopte met rennen omdat je door je poten zakte van vermoeidheid. En dan was je er geweest. Meneer Vos was namelijk het meest gemene en sluwe wezen dat de bosdieren kenden.
Gelukkig waren de Konijnen gezegend met een goede neus waardoor ze de vos van verre konden ruiken. Dat bracht meneer Vos vaak tot razernij. Hoe hard hij het ook probeerde, dicht bij het konijnenstel kwam hij nooit. Ze waren hem iedere keer te slim af. Doch spoedig kwam de dag waarop alles veranderde.

Op een broeierige zomerochtend kropen meneer en mevrouw Konijn uit hun hol. Mevrouw Konijn snoof de warme ochtendlucht op en rook een vreemde geur. Iets wat ze nog niet kende. “Ruik je de vos?” vroeg meneer Konijn. “Nee. Ik ruik iets anders. Het ruikt scherper dan dille en bitterder dan moederkruid. Het maakt me bang.” Meneer Konijn stak zijn neus in de lucht om het ook te ruiken. “Maak je geen zorgen. We hebben niets te vrezen dan die oude gemene vos.” Maar meneer Konijn had ongelijk. Boven de toppen van de bomen zagen de konijnen een grote grijze deken voor de ochtendzon verschijnen. In de verte hoorden ze het knappen van takken alsof een grote kudde herten door het bos rende. En al gauw zagen ze het rood, geel en oranje van vlammen om zich heen.
Zo snel als hun konijnenpootjes hen konden dragen renden ze het bos door, totdat ze bij de grote rivier aankwamen. De rivier was breed en de stroming sterk. Achter hen wakkerde de bosbrand aan. Het zag er al niet goed uit voor het konijnenstel, maar het werd nog erger. Door de harde wind en het rumoerige water hoorden ze meneer Vos niet aankomen. Daar stond hij, met zijn bolle gezicht recht voor de konijnensnoeten. Met twee happen had hij aan zijn ontbijt kunnen beginnen.
Maar meneer Vos hapte niet. “Spring op mijn rug!” schreeuwde hij, “dan breng ik jullie naar de overkant.” Meneer en mevrouw Konijn verstijfden, geschrokken van het vuur, de vos en de onverwachte behulpzaamheid. De vos zag dat de konijnen wat aansporing nodig hadden. “Wat baat het mij om jullie hier te roosteren en op te eten, als ik daarna zelf door het vuur verteerd word?” Hij sprong in het water en keek om naar de konijnen. “Spring gauw op mijn rug!”
Het moet een vreemd gezicht zijn geweest; een vos die door het golvende water zwemt, terwijl twee konijnen zich vastklemmen aan zijn rug. Maar ze overleefden de overtocht en kwamen aan op de andere oever. Vermoeid van de reis vielen ze alle drie onmiddellijk in een diepe slaap.

De ochtend bracht nog meer slecht nieuws. Aan hun zijde van de rivier lag een uitgestrekte woestijn, en aan de overzijde een zwartgeblakerd bos. Het leek er op dat geen van alle andere dieren de bosbrand hadden overleefd. Meneer Vos wekte de beide konijnen en zei: “Spring op mijn rug, dan zwemmen we terug naar het bos, wie weet vinden we wat voedsel tussen de verschroeide stammen.” “Wie zegt ons nu dat jij ons niet alsnog gaat opeten?” vroeg mevrouw Konijn. Meneer Vos keek onschuldig. “Wat baat het mij, om het enige gezelschap dat ik in de wijde omtrek heb, op te eten?” Hij schudde zijn sluwe hoofd. “Nee, ik wroet liever wat mos van de aarde los. Er zijn vast nog insecten en wormen te vinden. Ik beloof plechtig dat ik nooit meer een konijn zal eten.”

Terwijl nieuw leven ontsproot uit de bosbodem leefden de konijnen en de vos samen in een vreemdsoortige synergie. Ze groeven gezamenlijk twee nieuwe holletjes. Eén voor de konijnen en één voor de vos. Overdag genoten ze gezamenlijk de maaltijd en ’s avonds vertelden ze elkaar verhalen over de tijd toen het oude bos nog bestond. Het duurde niet lang of het konijnenhol moest uitgebreid worden. Er waren kleintjes op komst. Meneer Vos reageerde met groot enthousiasme. Zijn uitzinnige blijdschap was voor de konijnen een bevestiging van zijn oprechte vriendschap en ze besloten daarom dat meneer Vos de peetvader zou worden van hun kroost. Zo verstreken de jaren. Het bos werd weer een groen paradijs en de kleine magere konijntjes veranderden in lieve, vrolijke, dikke konijnen.

Op een dag sloeg het noodlot toe. Eén van de jongen van meneer en mevrouw Konijn was spoorloos verdwenen. Dagenlang zochten alle konijnen én meneer Vos onder iedere struik naar het konijntje. Maar het konijnenkind werd niet gevonden. Een week later verdween nummer twee. Weer zocht iedereen, weer werd het niet gevonden. Een week later verdween er opnieuw een konijntje. Deze keer zocht meneer Vos niet mee. “Ik denk dat je kinderen elders een eigen bestaan op willen bouwen,” zei hij met een uitgestreken gezicht. Maar meneer Konijn geloofde het niet. Vanaf dat moment verloor hij zijn kleintjes geen moment meer uit het oog. En zo werd zijn ergste vermoeden bevestigd. Daar stond zijn vriend Vos met één van zijn lieve kinderen tussen zijn tanden. De betrapte Vos schrok even en greep daarna ook meneer Konijn bij zijn nekvel. “Je had plechtig beloofd nooit meer een konijn te eten!” riep het spartelende konijn uit. Maar meneer Vos antwoordde: “Weet je dan niet dat het niet in mijn aard ligt om me aan mijn woord te houden?”

De grenzeloos getolereerde meneer Vos
Meneer Vos is een deel van jou. Hij staat voor je trots, voor je zelfzucht, je egoïsme. Houd hem zo ver mogelijk bij je vandaan. Verstop je voor hem en ren van hem weg, want hij is niet te vertrouwen. Als je de vos in jouw omgeving laat vertoeven, ofwel als je ruimte laat voor je eigen eer en zelfgerichtheid, zul je uiteindelijk verworden tot een persoon die je niet wilt zijn. Maar ik vertel je niets nieuws. Je wist dat al heel lang. Net zoals meneer en mevrouw Konijn altijd in hun achterhoofd hebben geweten dat het niet wijs is om met meneer Vos om te gaan, zo weet jij best dat jouw oude mens, jouw duistere zijde, je geen goed zal doen. Maar het gaat ongemerkt. En het biedt zoveel gemak.

Verder lezen? Dit is hoofdstuk 5 uit het boek “Maak me minder”

 

“Bij veel wat we doen worden we deels gemotiveerd door trots en egoïsme. Daarom is het belangrijk om regelmatig datgene te doen wat noch trots noch egoïsme voedt: dienen in het verborgene. Maak ruimte in je agenda om dat te kunnen doen. Probeer minder zelfredzaam te zijn, zodat God zelf de ruimte krijgt om je van tijd tot tijd te ondersteunen.
Een slavenschort zal je goed staan. Denk aan de schort van het bidden van een ander, de schort van het volgen van een ander of de schort van het zwijgen. Verborgen dienstbaarheid is niet leuk of gemakkelijk, maar het verandert je diepgaand.”

Verborgen dienstbaarheid als stage

Hoofdstuk 5 uit het boek "Maak me minder"